Meevliegen » Uw eerste briefing

Alvorens je meegaat de lucht in, word je uitgebreid gebrieft door je piloot. Hierbij alvast wat zaken die aan bod zullen komen:

IMG_0989

Parachute en instappen

Voordat je instapt, krijg je van de piloot een parachute uitgereikt. Het is een clubregel dat we altijd met chute vliegen, wettelijk is het niet verplicht. Bedoeld puur als back-up, maar het is in de geschiedenis van de club nog nooit voorgekomen dat we een chute daadwerkelijk hebben moeten gebruiken.

De piloot zal je helpen met het omhangen van de chute en tevens de werking ervan toelichten.

Het instrumentarium

Zweefvliegtuigen hebben diverse instrumenten aan boord. Hoewel het aan te raden is tijdens de vlucht lekker naar buiten te kijken en te genieten van de vlucht, zal de piloot je toch kort de belangrijkste instrumenten uitleggen:

Dsc06331

(van links naar rechts)

- De snelheidsmeter; deze toont de snelheid van het zweefvliegtuig ten opzichte van de omringende lucht, gewoon in kilometers per uur. Doorgaans vliegen we zo rond de 90 km/u, de snelheid waarbij we het langste boven kunnen blijven en het beste kunnen thermieken.

- De variometer; een uitermate belangrijk instrument voor de zweefvlieger. Deze geeft aan of het zweefvliegtuig stijgt of daalt (in meters per seconde). Hierdoor kan de piloot bepalen of hij thermiek heeft of juist niet.

- Het kompas; geeft de gevlogen koers aan. 90 graden is oost, 180 is zuid, 270 is west en 360 of 0 graden is noord. Het kompas wordt zeker bij lokale vluchten nauwelijks gebruikt. We navigeren door goed om ons heen te kijken en met behulp van een vliegkaart.

- De hoogtemeter; deze toont de hoogte van het toestel ten opzichte van 'veldniveau' in honderden meters (dus grote wijzer op 5 betekent 500 meter hoogte).

- Het piefje; een uitermate simpel en goedkoop 'instrument' maar zeer belangrijk! Het is niets meer dan een wollen draadje, vaak in het zicht van de piloot op de cockpitkap geplakt, dat aangeeft of het vliegtuig netjes recht door de luchtmassa vliegt. Zou men zich zijwaarts voortbewegen, dan levert dat onnodig veel weerstand op en staat men eerder aan de grond.

De bedieningsorganen

Elk zweefvliegtuig heeft twee bedieningsorganen waarmee men het toestel om drie (denkbeeldige) assen kan laten bewegen.

p005_1_00

- De stuurknuppel; door de knuppel naar voren en naar achteren te bewegen bedient men het hoogteroer en gaat de neus van het vliegtuig naar beneden of omhoog. Hiermee regelt de piloot primair zijn snelheid: neus naar beneden is snelheidstoename, neus omhoog leidt tot een afname. Door de knuppel naar links en rechts te bewegen bedient men de rolroeren en gaan de vleugels omhoog of omlaag. Knuppel naar links betekent linkervleugel omlaag en zal leiden tot een bocht naar links.

- Het voetenstuur; je voeten plaats je op het voetenstuur, twee pedalen die je naar links en rechts kan intrappen. Hiermee bedien je het richtingsroer. Linkerpedaal intrappen heeft als gevolg dat de neus van het vliegtuig zich langs de horizon naar links zal bewegen. Rechts voeten laat de neus naar rechts bewegen. Een nette bocht is altijd een combinatie van de juiste hoeveelheid voetenstuur in combinatie met de juiste hoeveelheid knuppel. Gecoördineerd vliegen heet dat....

Nog meer hendels!

Naast de bedieningsorganen heb je ook nog:

- de remkleppen; altijd een blauwe hendel aan je linkerkant. Trek je aan deze hendel, dan komen er remkleppen uit de vleugels waarmee de piloot keurig zijn daalhoek kan regelen. Hiermee kan hij exact daar landen waar hij wil. De hendel wordt alleen gebruikt tijdens het laatste gedeelte van de nadering en landing.

- de ontkoppelhaak; altijd een gele knop. Door aan deze knop te trekken ontkoppel je de lier- of sleepkabel. Die gebruiken we dus aan het einde van de start. Liever niet tijdens de start, want dan duurt de vlucht zo kort!

De lierstart

Een lierstart is een spectaculaire startmethode. Het zweefvliegtuig accelereert binnen een seconde of drie naar de 110 kilometer per uur (een beetje Porsche doet het niet na!), om vervolgens via een steile klim binnen een halve minuut de ontkoppelhoogte te bereiken. Wees dus beducht op een forse acceleratie! Het ontkoppelen van de lierkabel aan het eind van de start kan even gepaard gaan met een wat luide knal (er staat immers veel spanning op de kabel) maar dat is heel normaal.

De sleepstart

Hierbij word je achter ons sleepvliegtuig geleidelijk opgesleept tot de gewenste hoogte en naar de gewenste plek. Dit gaat dus veel geleidelijker en duurt wat langer (vaak zo'n minuut of 6 om de gewenste hoogte te bereiken).

De vlucht

Tijdens de vlucht gaat het er rustig aan toe. We vliegen met een snelheid van zo'n 90 km/u, waarbij we enkel wat geruis van de wind horen. We kunnen prima met elkaar praten en de piloot zal uitleg geven over wat er te zien is en waar hij mee bezig is. Desgewenst mag men ook zelf een stukje sturen, uiteraard onder deskundige begeleiding van de piloot.

1000vanuit1000

Het kan zijn dat het wat turbulent is. Dit houdt in dat verschillende luchtmassa's langs elkaar op en neer bewegen, waardoor het vliegtuig wat schudt en beweegt. Dit hoort er allemaal bij! Vergelijk het met het autorijden over een hobbelige weg; het is wat minder comfortabel, maar kan absoluut geen kwaad. Bij te heftige turbulentie vliegen we niet.

Circuit en landen

Vanaf 150 meter hoogte vliegt de piloot een circuit. Dit is een standaard patroon dat altijd wordt gevlogen vlak voor de landing. Tijdens dit circuit kan de piloot perfect zijn landing plannen, zijn toestel op de goede snelheid brengen en het landingsterrein inspecteren. Met name in het laatste deel van het circuit zal hij zijn remkleppen trekken, wat leidt tot wat extra herrie en het harder zakken van het vliegtuig. De landing zelf is boterzacht, waarna het toestel nog even uitrolt, een vleugeltip op de grond zakt en men voldaan kan uitstappen. Een ervaring rijker...